|
Jubileumuitgifte Nederlandse Vereniging van
Papiergeldverzamelaars
Op 25 november 2006 werd met een grootse beurs voor
papiergeld in Den Dolder het 20-jarig jubileum gevierd van de IBNS
Nederland (International Bank Note Society The Netherlands Chapter), tegenwoordig de
Nederlandse Papiergeldverzamelaars genoemd. Tijdens de beurs wist de
vereniging maar liefst 10 nieuwe leden waaronder een life-member binnen
te halen.
Wie lid wordt van de vereniging, de contributie
bedraagt slechts € 25 per jaar, ontvangt 3 à 4 maal per jaar
het kleurrijke en zeer informatieve verenigingsblad 't Watermerk dat
onder de bezielde leiding van Patrick Plomp is uitgegroeid van een paar
velletjes met wat informatie tot een heus tijdschrift op A4-formaat met
een omvang van 36 tot 56 pagina's in kleur.

In November 2006 verscheen een bijzondere uitvoering van 't Watermerk.
De samensteller M.P. Garritsen wist elf interessante bijdragen bijeen te
brengen die op luxe papier zijn afgedrukt. Geopend wordt met een
voorwoord van de voorzitter gevolgd door een artikel van zijn hand over
het ƒ 25,- biljet. Best omschreven als "het eerste echte
Nederlandse bankbiljet". Dat vanwege zijn rood bedrukte voorzijde
bekend is onder de naam "roodborstje", een formulier met een
aantal gedrukte en geschreven mededelingen, geheel of gedeeltelijk
voorzien van een uit muziektekens bestaande ornamentele rand. Zijn
artikel besluit met een overzicht van alle theoretisch mogelijk emissies
en handtekeningen combinaties. Geschat wordt dat 10 tot 15 exemplaren
niet bij De Nederlandsche bank werden ingeleverd.
Geen alledaagse verschijning dus. De
volgende bijdrage is van Cees Hootsen en geeft een overzicht van
zogenoemde SPECIMEN biljetten uit de collectie van een verzamelaar die
ontbreken in de AV, de Catalogus van Nederlands papiergeld van Akkermans
en Vercoulen.
De SPECIMEN biljetten werden door De Nederlandsche Bank als voorbeeld
aan financiële instellingen in binnen- en buitenlands toegezonden om
hen op de hoogte te houden van nieuwe emissies. Maar liefst 23 nieuwe
SPECIMEN biljetten worden in het artikel uitgebreid voorgesteld.
De volgende bijdrage is wederom van de hand van Patrick Plomp en is een
Catalogus van Nederlandse zilverbonnen, munt-, hulp-, reserve- en
bankbiljetten. De lijst bevat uitsluitend biljetten gemaakt met het doel
uiteindelijk in Nederland te circuleren, met uitzondering van
drukkersproeven, specimen, ingetrokken en buiten omloopgestelde
biljetten. De lijst werd samengesteld uit informatie verkregen uit de
bekende publicaties van Mevius en Lelivelt, de Almanak van de NVMH,
Akkermans/Vercoulen, Bolten(tweede druk), de publicatie van J.J. Grolle
"Het Nederlandsche Bankbiljet" en varianten gemeld door
verschillende leden van de vereniging. Dan
volgt een overzicht samengesteld door Niek ter Wolbeek en Machiel
Dubbeld van boordgeld dat gebruikt is op troepenvervoerende-,
emigrantenvervoerende- en repatriëringschepen in de periode 1946-1957.
De biljetten zijn gerangschikt per maatschappij, per schip en de
verwachte aankomstdatum. De meeste biljetten zijn in Nederlands courant,
een paar in Amerikaans courant, een enkeling in Amerikaans en Nederlands
courant. Op de S.S. "Nieuw Amsterdam" werden in 1946
wisselbonnen in Nederlandsch Indisch Geld gebruikt. De
bijdrage van Hans van Weeren staat in het teken van de lage waarden van
de bankbiljetten van de Javasche Bank uitgegeven bij de muntzuivering
van 1950 in Indonesië. Het betreft hier de biljetten van 50 cent, 1 en
2½ gulden 1948. Hij stelde vast dat de ontwerpen afkomstig zijn uit de
studio van Joh. Enschedé (Sem Hartz) maar dat de serienummers - de
zogenoemde nummerklokken die op de biljetten gebruikt werden -
toebehoren aan de Engelse drukker Thomas De La Rue. Het is dus
aannemelijk dat de biljetten daar zijn gedrukt omdat de
productiecapaciteit vlak na de Tweede Wereldoorlog in Nederland
onvoldoende was. Van deze biljetten bestaan naast gedrukte vervalsingen
ook exemplaren die geheel met de hand met kleurpotlood zijn nagetekend. Ook
het artikel van Rob Huisman staat in het teken van het papiergeld van Indonesië.
Het betreft de geheime coderingen die te vinden zijn op het Indonesische
revolutiegeld, de ORI (Oeang Republik Indonesia) uit 1945-1948. Na de
capitulatie van Japan was er een driedeling in Nederlandsch-Indië; een
deel dat onder Nederlansche controle stond en waar het zgn. NICA geld in
omloop was; een Republikeins deel waar het ORI geld circuleerde en een
derde deel dat onder invloed van de Republikeinse beweging stond maar
waar door logistieke problemen geen ORI geld kon worden ingevoerd. Door
lokale en regionale instanties en bedrijven werd eigen papiergeld in
omloop gebracht.
De Republikeinse regering heeft tussen 1946-1948 vier emissies
papiergeld uitgebracht. De bevolking werd via pamfletten en de krant
Merdeka in oktober 1946 op de hoogte gebracht van de introductie van het
ORI geld. De uitvoering van deze biljetten laat te wensen over, slecht
papier en matige druktechnische kwaliteit zijn hier debet aan. De
biljetten waren eenvoudig te vervalsen. Om dit tegen te gaan werd door
de republikeinse financiële overheid een geheime codering in het
serienummer aangebracht. Door deze geheime codering in het serienummer
konden de officiële instanties snel valse biljetten herkennen.
Vele jaren van verzamelen leidde er uiteindelijk toe dat er bepaalde
patronen in de serienummering werden vastgesteld. Aan de hand van een
unieke hoeveelheid materiaal en onderzoek geeft Rob Huisman wat hij
noemt 'een tussenstand' van zijn bevindingen. De
volgende twee bijdragen staan in het teken van het papiergeld in omloop
en gedrukt voor (Nederlands) Nieuw Guinea. De eerste is van de hand van
Ed. van Gelder, een van de oprichters van de huidige vereniging. In een
vloeiende stijl schets hij de geldsituatie voor de introductie van eigen
biljetten in 1950 voor Nieuw Guinea en de emissie van een serie
biljetten voor Nederlands Nieuw Guinea in 1957. De
bijdrage van Hans van Weeren is een diepgaande studie met als titel
"De ontwikkeling van het geldstelsel voor Nederlands Nieuw Guinea."
Zijn verhaal begint met een overzicht van monetaire situatie op Nieuw
Guinea eind 1949, aansluitend komt de stempeling van alle in omloop
zijnde biljetten eind januari 1950 ter sprake. Vervolgens wordt er een
overzicht gegeven van de verschillende stempels die hierbij gebruikt
werden en op welke biljetten deze voorkomen. Hij vervolgt met de
geldzuivering van 30 maart 1950 en de regeling en structuur van het
geldwezen op (Nederlands) Nieuw Guinea en de hieraan gekoppelde emissies
van 2 januari 1950 en 8 december 1954. Op 1 mei 1963 werd het gebied
overgedragen aan Indonesië. Met ingang van 1 juni 1963 moest bij de
Bank Indonesia het 'Nederlandse' geld tegen rupiahs worden omgewisseld. Het
laatste grote artikel is van de hand van J.M. Verkooyen, ook een van de
founding fathers van de vereniging en besteedt aandacht aan de
wisselbrieven van de Nederlandse Handel-Maatschappij buiten Nederland
(1870-1888).
Dertig jaar geleden werd door de auteur op een grote beurs in Utrecht
een omvangrijke partij wissels uit het voormalige Nederlandsch-Indië
aangekocht. Zijn studie van deze wissels is thans het onderwerp van zijn
bijdrage.
De Nederlandsche Handel- Maatschappij werd in 1924 opgericht door koning
Willem I en was bedoeld om de handel met vooral de koloniën te
bevorderen. Voorafgaande aan de beschrijving van de wisselbrieven wordt
beschreven hoe de wissels door zowel financiële instellingen, bedrijven
als particulieren werden gebruikt.
Omdat het kon gebeuren dat de wissel niet bij de genoemde persoon
aankwam, bijvoorbeeld door brand, diefstal of doordat het schip met de
wissel was vergaan was het gebruikelijk een tweede en soms zelfs een
derde wissel uit te schrijven. Een dief kon niets met de wissel omdat
deze op naam was gesteld.
Bij het agentschap werd het tweede en derde exemplaar bewaard. Wanneer
de eerste wisselbrief verloren ging werd de tweede verzonden. Om een
dubbele uitbetaling te voorkomen stond op de eerste wissel de vermelding
"de tweede (en derde) onbetaald zijn". Op de tweede "De
eerste (en derde) onbetaald zijnde" en op de derde "de eerste
en de tweede onbetaald zijnde".
Dit alles vergde een goede administratie. Bij de handtekening of paraaf
van de acceptatie staat steeds een f(olio)nummer. Dit nummer verwijst
naar het boek waarin de uitbetalingen werden aangetekend. Op de talon
die achterbleef werden de gegevens van de wissel genoteerd.
Vervolgens geeft de auteur een overzicht van de verschillende
agentschappen waarvan wisselbrieven bekend zijn. Behalve in
Nederlandsch-Indië werd ook in Suriname gebruik gemaakt van
wisselbrieven. Vooral bij de ondertekenaars van de Surinaamse
wisselbrieven komen we namen tegen van personen die later leidende
functies bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij of elders hebben
vervuld: A. Fokker, Schröder-Visser, Schreeven, Lohr en Bijvanck. Het
verhaal is verlicht met prachtige wisselbrieven, een lust voor het oog. De
jubileumeditie van 't Watermerk besluit met korte bijdragen van David
August over La Banque du Congo Belge en van Gert Dekkers over de
bankbiljettencirculatie in het Osmaanse Rijk gedurende de Eerste
Wereldoorlog. De jubileumeditie
is bestelbaar voor niet-leden voor € 12,95 inclusief
verzendkosten of gratis bij een nieuw lidmaatschap van de IBNS
Nederland. Informatie voor geïnteresseerden is op te vragen bij de
secretaris. E-mail secretaris via menu contact of bij de voorzitter, email via menu contact. Meer
informatie over de vereniging en papiergeld is te vinden op de website
van de vereniging www.ibns.nl. Hier
staan ook een aantal artikelen in PDF-Formaat over papiergeld die eerder
in het verenigingsblad 't Watermerk verschenen. Interessant is ook de
literatuurlijst over Nederlands en buitenlands papiergeld. Bron:muntkoerier
3, 2007 jaargang 36 |